Dorprskrant Driemond - maart 2012

Klauteren over het schuitenhuis...

...dat moest de schippersvrouw, terwijl ze hangend in een tuig eenzwaarbeladen trekschuit voorttrok langs het water. Alice Draaijer- Velthuizen zag dit als meisje vlak voor en tijdens de oorlog. Met afschuw vertelt ze hoe vreselijk de schipper aan boord op zijn zwoegende vrouw kon schelden als het touw in de knoop dreigde te raken.

Door een grote boom aan de waterkant voor de boerderij van de ouders van Alice aan de Lange Stammerdijk en een schuitenhuis aan het water kon de vrouw niet gewoon doorlopen, maar moest ze halsbrekende toeren verrichten om voorbij dit obstakel te komen. De schipper boomde de schuit terwijl de vrouw trok. Zo’n schip kon van alles vervoeren; van aardappels tot afval. Er was zelfs een compleet scharensliepgezin dat op zo n trekschuit leefde. De schipper die zich geen paard kon veroorloven, zette gewoon zijn vrouw als trekdier in!

Na de oorlog was het gedaan met deze trekschuiten en werden boten van een motor voorzien. Al vanaf de 16e eeuw werden trekschuiten in Nederland gebruikt; vaak voor het vervoer van passagiers. Het was een goed georganiseerd openbaar vervoer. De schuiten voeren op vaste tijden en waren betrouwbaar. Je kon er zeker van zijn dat als je de trekschuit uit Weesp naar Amsterdam nam, die over Smalweesp en Gaasp voer, je in Amsterdam op de klaarliggende boot naar Haarlem kon overstappen. Dat werpt weer eens een ander licht op opgeheven buslijnen en uitvallende treinen!

Nu was zo n trekschuit niet ideaal: je moest met veel mensen in een kleine benauwde roef bijeen zitten, waar flink aan de lange Goudse pijpen werd getrokken. En het duurde natuurlijk uren want 5 km per uur was al een fikse snelheid.

Hildebrand, de schrijver van de Camera Obscura, die het leven in het midden van de 19e eeuw beschrijft, heeft geen goed woord over voor het publiek aan boord: "Daar zijn voorbeelden van mensen, die door te veel in trekschuiten te varen, lafhartig, kruipend, gierig, koppig en kwelgeesten zijn geworden."

Vaak werden de schuiten getrokken door een paard met een ruiter, de jager genaamd. Het jagen (trekken) van het schip gebeurde aan een touw dat hoog in mast bevestigd was om over obstakels heen te gaan. Het paard liep op een jaagpad, vlak langs het water en in de bochten stonden rolpalen die er voor zorgden dat de boot niet tegen de oever werd getrokken. Op de pentekening zie je zo n jager die net de Geinbrug is gepasseerd en ook de rolpaal is duidelijk te zien. Het zou een mooi idee zijn weer een rolpaal op dezelfde plek te plaatsen met daarbij een bord waarop het verhaal van de trekschuit wordt verteld!

Tjark Keijzer